Kasteel Sipernau – 3 (bijgewerkt)
Elen
De aanwezigheid van enkele prehistorische gebruiksvoorwerpen uit de Steen- en Bronstijd wijst erop dat Elen al heel vroeg door mensen werd bewoond. De oudste geschreven bron, waarin de naam Elen als Yelne vermeld staat, is de oorkonde van rond 1150.
In 1259 heet het Helle (ook Hellini gespeld, zou van Halina afgeleid kunnen zijn, wat harde grond betekent) en vanaf de 14e eeuw Eelen of Elen.
Het ontstaan van Elen als parochie dateert uit de tijd van Karel de Grote. Adelardus, kleinzoon van Karel Martel (bij zijn minnares Roadhaid welteverstaan) en neef (en raadgever) van Karel de Grote, deed rond 773 zijn intrede in de abdij van Corbie in noord-Frankrijk en schonk haar het grondgebied Elen. De abt van Corbie werd daardoor heer van Elen.

Adelhard is patroon van hoveniers en tuinders en wordt aangeroepen tegen koorts, tyfus en infectieziekten. Zijn feestdag is op 2 januari.
In 1558 stond de abdij haar goederen en erfpacht af aan Godfried van Bocholt, heer van Grevenbroek. De heren van Bocholt ruilden in 1612 de heerlijkheid Elen met de prins bisschop van Luik voor de heerlijkheid Grenville.
Op 24 juli 1741 schonk de prins-bisschop Elen aan baron Thomas C. van der Marck, eigenaar van Sipernau. De naam Sipernau komt al in 1259 voor. Het huidige kasteel werd door Thomas Cornelius van der Marck (1705-1744) gebouwd. Ridder Theodoor Olislagers (1787-1861) liet een verdieping en ook de toren bijbouwen.
De oudste literaire bronnen vertellen dat omstreeks 700 in de Maasgouw een Frankische edelman en grootgrondbezitter woont, Adelard genaamd. Hij en zijn vrouw Grinnara bouwen bij de Maas voor hun 2 dochters Harlindis en Relindis een houten kerkje en klooster.
In de Vita, geschreven omstreeks 870 door een onbekend auteur, staan teksten vermeld ter gelegenheid van de verheffing van de relieken – de heiligverklaring – van Harlindis en Relindis. Volgens deze Vita is er inderdaad een abdij gesticht door een zekere Adalhard en zijn vrouw Grinuara.
Harlindis en Relindis hebben een opleiding gehad in Valenciennes, dat toen een belangrijke Merovingische residentie was. De meisjes zijn teruggekomen als kloosterlingen en Adalhard besloot, zo rond 720, een klooster te bouwen op eigen grondgebied. Hiervoor is een plek gekozen dicht bij de Maas, in een eikenbos met een moerassige vlakte en een bron, met de naam Eycke of Aldeneik.
Adalhard verzamelt een groepje mensen, zweert het oude geloof af en begint met de bouw van het klooster. De meisjes hielpen volgens de legende stiekem mee aan de bouw van het klooster. Toen hen werd gevraagd wat zij in hun schorten droegen logen zij ‘rozen’, om later te zien dat de stenen in rozen waren veranderd. Deze legende (over de ’keien van maaseik’) verklaart waarom Herlindis altijd op afbeeldingen met een kerk of klooster in haar hand wordt afgebeeld.

Harlindis en Relindis worden aangeroepen tegen keelpijn, koorts en oogziekten. Hun feestdag is op 13 februari. Klik om te vergroten.
In 1973 is een Merovingisch grafveld ontdekt in de nabijheid van de windmolen in Ophoven langs de oude Romeinse heerbaan van Tongeren naar Venlo. Rekening houdend met het aantal graven en de gebruiksduur van het grafveld, tussen 525 en 740, schat men de plaatselijke bevolking op 25 tot 32 inwoners, hooguit de bewoning van enkele boerderijen. Het veld wordt niet meer gebruikt na 720-740, de periode waarin de abdij van Aldeneik is gesticht.
In 870 staat Aldeneik vermeld in het Verdrag van Meerssen, waarbij de abdij wordt toegewezen aan Karel de Kale, kleinzoon van Karel de Grote. Helaas wordt het klooster kort daarop met de grond gelijk gemaakt door Vikingen.
In 1244 sluit Arnold, graaf van Loon, (en broer van Giselbert) een overeenkomst met het kapittel van vetus Eke over het verlenen van parochierechten aan Nieuw-Eik (Nova Eke), het latere Maaseik. In een bevestigingsoorkonde van de Luikse bisschop Robrecht van Torout, staan deze gegevens vermeld.
In 1243 komt de graaf van Loon tot een akkoord met zijn leenman, de graaf van Horn, waarbij Ophoven en Geistingen naar Horn gaan. Maaseik wordt zo de noordgrens van Loon. In een overeenkomst van 1244 wordt er onder meer gesproken over het gebruik van de gemeenschappelijke landbouwgronden tussen Aldeneik en de nieuwe nederzetting.
Maaseik bestaat dus al voor 1244 tenminste als landbouwnederzetting. Dit is ook door archeologische vondsten vanaf de twaalfde eeuw ondersteund. Maaseik moet een gestichte stad zijn geweest omdat het rastervormig stratenpatroon getuigt van de nieuwe nederzetting. Wellicht is het stadje versterkt met wallen (eerste vermelding pas in 1343). Maaseik krijgt ook handelsactiviteiten. Vanaf 1265 zijn er markten en groeit ook de scheepvaart, hoewel een eerste bewijs hiervan slechts stamt uit 1370.
Dilsen
Uit allerlei prehistorische en Romeinse vondsten blijkt dat Dilsen één van de oudste dorpen van het Maasland is. De hellingen van het Kempens Plateau, met name Vossenberg, Heulentak en Heuvelsven waren de oudst bewoonde terreinen van Dilsen. Er werden bijlen, pijlpunten en aardewerkresten uit de Steen- en Bronstijd gevonden.
De eerste vermelding van de naam Thilesna (waarschijnlijk de Keltische naam van een rivier) dateert uit 1062, toen markgraaf Otto van Thuringen (van Orlamünde) en zijn vrouw Adela (dochter van Reinier van Leuven) de kerk en de daarbijhorende goederen in Dilsen aan het kapittel van Sint-Servaas in Maastricht schonken.
Dit gebied was tussen de Heirbaan en de Maas gelegen. Het gedeelte van Dilsen aan de andere zijde van de Heirbaan behoorde tot de 13de eeuw aan het graafschap Gelder toe, maar werd in 1253 aan het graafschap Loon geschonken. Nadat dit graafschap bij het prinsbisdom Luik kwam, werd de prins-bisschop heer van Dilsen.
Lanklaar
De oudste kern van Lanklaar is ongetwijfeld het gehucht Mulhem. Deze nederzetting ontstond langs de heirbaan die Tongeren via Maastricht met Nijmegen verbond.
Mulhem is waarschijnlijk de oude Romeinse nederzetting Feresne geweest (die op de kaart van Peutinger voorkomt) want in 1867 werden in Mulhem, vlak naast de kanaaldijk, de grondvesten van een Romeinse tempel ontdekt.
Lanklaar wordt in 1281 voor het eerst onder de naam Langlaer vermeld. Het zou een lang en smal gebied in het vroegere Ledebos geweest zijn, een leengoed van de Duitse keizer. De naam Lanklaar is aan de natuur ontleend: lank is lang en laar is een open ruimte in het bos.
Rotem
zou oorspronkelijk bezit van de Duitse keizer Frederik Barbarossa zijn geweest. (De naam Rotem betekent gerooide plaats of ontginning.) Aangezien hij in geldnood verkeerde, verpandde hij deze bezitting in 1174 aan de Luikse bisschop. Rotem bezat een territoriale rechtbank, het Hof van Valderen, die voor criminele zaken in het Loonse deel van het Maasland bevoegd was. Deze rechtbank staat in een akte van 1413 vermeld, maar geen enkel geschreven vonnis bleef bewaard.
Stokkem
was één van de tien steden van het graafschap Loon. Colongus, koning van de Tongeren, een volksstam die destijds in deze streken leefde, zou hier al in 48 n. C. een nederzetting gesticht hebben. De naam Stokkem of Stockheim betekent huis bij het houtgewas.
Bronteksten:
- Dilsen Stokkem
- Legenden van Belgische steden
- Harlindis en Relindis
Deze tekst is voor Gevleugelde Woorden geschreven door Diana den Held
- Online geplaatst op:
- 23.1.07 om 22:44
- Categorie:
- Gevleugelde Woorden

0 Reacties
Ga direct naar het reactieveld | Reactie RSS | Trackback